Opiniestuk van Jean-Pascal van Ypersele, Peter Tom Jones, Philippe Huybrechts en Serge de Gheldere, verschenen in De Standaard van 12/11/2007.
’Het is onbezonnen voluntaristisch om te wachten op een signaal van de markt (een drastische verhoging van de olieprijs) vooraleer een ernstige CO2-reductie na te streven’, vinden vier klimaatexperts in reactie op de ’economische klimaatscepticus’ Johan Albrecht.
Ondanks de onmiskenbare wetenschappelijke bewijslast blijft het klimaatscepticisme op veel belangstelling rekenen. Na de uitzending van Martin Durkins documentaire The Great Global Warming Swindle, Bjorn Lomborgs nieuwe boek Cool It, is het nu de beurt aan Johan Albrecht die met zijn kersverse boek ’Klimaatrelativisme’ een nieuw hoofdstuk aan het Groot Klimaatsceptische Woordenboek toevoegt.
Toegegeven: de ene relativist is de andere niet. Daar waar sceptici als Durkin de wetenschappelijke consensus inzake de aard en de menselijke oorzaken van de huidige globale opwarming nog trachten te ontkennen, gooien ’economische klimaatsceptici’ als Lomborg en Albrecht het over een andere boeg. Het klimaatprobleem en de oorzaken ervan worden op zich niet in vraag getrokken. Wel betwist men de ernst van het vraagstuk. Het VN-klimaatpanel (IPCC) wordt ervan beschuldigd van ’pessimistisch’ en nodeloos ’alarmistisch’ te werk te gaan. Dat is een zeer vreemde stelling als je weet dat het VN-klimaatpanel een consensusinstituut is: alleen datgene waarover een voldoende sterke consensus bestaat, wordt naar buiten gebracht. Dit impliceert dat de rapporten en de projecties van het IPCC eerder aan de voorzichtige kant zijn.
Dat werd recent nog eens bevestigd in het Amerikaanse vakblad PNAS. Onderzoekers tonen daarin aan dat de snel groeiende wereldeconomie in steeds sneller tempo CO-2 de lucht inpompt. De snelheid van de stijging (3,3 procent per jaar in de periode 2000-2006, ten opzichte van 1,3 procent per jaar in de jaren negentig) is zelfs groter dan men eind jaren negentig in het worst case scenario had geprojecteerd. Bovendien stelt men vast dat de efficiëntie waarmee de koolstofsinks (oceanen en landoppervlakte) een deel van de door de mens uitgestoten CO-2 terug absorberen, tanende lijkt te zijn.
Om de opwarming nog te beperken tot 2-2,4°C moet de mondiale broeikasgasuitstoot met 50 à 85 procent dalen tegen 2050, aldus het IPCC. Dit kan alleen gehaald worden indien er mondiaal wordt gewerkt aan een krachtdadig klimaatakkoord waarin alle belangrijke landen verplichtingen opnemen. Rekening houdend met het principe van ’gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’ betekent dit voor westerse landen als België een daling van de uitstoot in de grootte van 80 à 90 procent tegen 2050. Zulke reducties zijn mogelijk op voorwaarde dat overheden wereldwijd een beleid op poten zetten dat verregaande technologische evoluties en gedragswijzigingen beoogt. Door een rookgordijn op te trekken en op die manier het klimaatrelativisme te voeden, verhinder je juist dat zo’n beleid tot stand kan komen. Dat is de contradictie in de beweringen van sceptici als Lomborg en Albrecht. Hun nuancering van de zogenaamde klimaathype, gekoppeld aan een onwrikbaar geloof in de markt, valt niet te rijmen met de sense of urgency van het klimaatprobleem. Het is onbezonnen voluntaristisch om te wachten op een signaal van de markt (een drastische verhoging van de olieprijs) vooraleer een ernstige CO-2-reductie na te streven.
Dit brengt ons bij de ethische component in dit verhaal. Zelfs een opwarming van 2°C, die de EU hanteert als grens en die Albrecht ’aanvaardbaar’ noemt, zal grote gevolgen hebben voor vele miljoenen mensen in deze wereld. De landen die de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot hebben gezorgd (VS, EU en Japan) zijn niet de landen waar de klimaatgevolgen het meest ontwrichtend (zullen) zijn. Integendeel, de zwaarste klappen vallen net in die landen die amper verantwoordelijk zijn voor het probleem: de laaggelegen eilanden, zwart Afrika en de megadelta’s. De opwarming zal de al bestaande problemen verergeren. Het is dan ook vreemd te lezen dat Albrecht van mening is dat het klimaatprobleem minder relevant is dan het voedselprobleem. Sommige projecties geven aan dat bij een gemiddelde temperatuurtoename van meer dan 2,5°C er tegen 2080 minstens 3 miljard mensen zouden leven in zones met grote waterschaarste, met verregaande gevolgen voor… juist, de voedselproductie. Conclusie: boeken als ’Klimaatrelativisme’ en Cool It leiden tot een self-fulfilling prophecy. Hoe vaker deze stellingen worden herhaald, hoe groter de verwarring en de klimaatmoeheid bij de leek, hoe minder druk er wordt gezet op politici wereldwijd, hoe kleiner de kans dat we de gevaarlijke en voor een deel onomkeerbare klimaatwijzigingen nog kunnen voorkomen.
Klimaatrelativisme is niet meer bij de tijd. Zoals ook het VN-milieuprogramma erkende in zijn GEO-4 rapport, hebben we nu dringend behoefte aan een proactief, oplossingsgericht klimaatbeleid. Het positieve aan zo’n beleid is dat daar ook aangename neveneffecten aan verbonden zijn: nieuwe werkgelegenheid, herwonnen energieautonomie en lagere gezondheidskosten door een verbeterde luchtkwaliteit. Op die manier maken we de weg vrij voor een duurzame, werkende, aantrekkelijke, haalbare en betaalbare toekomst.
Peter Tom Jones is burgerlijk ingenieur milieukunde (KU Leuven), Serge de Gheldere is klimaatambassadeur, Philippe Huybrechts en Jean-Pascal van Ypersele zijn klimatologen aan de VUB en de UCL