klimaat


Dit opiniestuk werd geschreven naar aanleiding van het EU-klimaatplan dat vorige week werd bekend gemaakt. Het stuk verscheen in De Tijd van 30/1/2008.

EU-KLIMAATPLAN: Elk welvarend land kan streefcijfers halen

Volgens het klimaat- en energieplan van de Europese Commissie moet de Europese Unie tegen 2020 de broeikasgasuitstoot met 20 procent verminderen tegenover het niveau in 1990. Dat zou worden opgetrokken tot het ambitieuzere – en wetenschappelijk relevantere – cijfer van 30 procent als ook andere grote vervuilers zoals de Verenigde Staten, India en China hun verantwoordelijkheid opnemen.

Voorts moet tegen 2020 een vijfde van het energieverbruik uit alternatieve energie komen. België moet zijn uitstoot met 15 procent verminderen en 13 procent van zijn verbruik uit hernieuwbare energie halen. De Commissie baseerde zich bij de lastenverdeling op de uitstoot en het aandeel hernieuwbare energie van 2005. Dat speelde in ons voordeel, omdat we met onze schamele 2,2 procent hernieuwbare energie helemaal achteraan zaten in de Europese klas. Het Belgische streefcijfer blijft dus ruim onder het EU-gemiddelde.

De Commissie raamt de toepassingskosten van het plan op gemiddeld 0,6 procent van het Europese bruto binnenlands product (bbp), of ruwweg 3 euro per persoon per week. Maar het beleid is noodzakelijk om toekomstige kosten te voorkomen die volgens een toonaangevend rapport minstens tien keer zo hoog liggen. Omdat België altijd een slechte leerling is geweest voor alternatieve energie, lopen de toepassingskosten voor ons land nu op tot 0,7 procent van het bbp. Dat neemt niet weg dat de Commissie nogmaals bereid was toegevingen te doen. We krijgen 10 procent extra uitstootrechten, die we via het Europese emissiehandelssysteem te gelde kunnen maken. De opbrengst daarvan moet ons extra investerings- middelen leveren voor groene energie.

Ondanks die uiterst voordelige correcties vindt het VBO dat andere lidstaten beter geplaatst zijn om voor de Europese norm in de bres te springen. Topman Rudi Thomaes ‘waarschuwt’ ervoor dat België dreigt te verarmen en jobs zal verliezen als de regering er niet in slaagt een (nog) voordeliger regime te onderhandelen.

Het VBO zegt dat het economisch maximaal benutbare potentieel voor hernieuwbare energie slechts 8 procent bedraagt. Voor het uittekenen van haar voorstel en het bepalen van het Belgische 13 procentcijfer baseerde de Commissie zich nochtans op een zestal recente studies en het advies van een leger experts. Intussen lanceerde men publieke raadplegingen en werd ook met de lidstaten overlegd over de haalbaarheid. Dat consultatieproces nam bijna een jaar in beslag.

Als belangrijkste oorzaak van ons vermeende gebrek aan potentieel voor alternatieve energie verwijst Thomaes naar onze korte kustlijn, de matige zonneschijn en het relatief klein aandeel gebergte. Waarom slaagt een land als Duitsland – dat zich ook met dat relatieve tekort aan zonlicht, berg- en kustgebied behelpt – er dan wél in zijn aandeel hernieuwbare energie fors op te drijven (6% in 2005)?

Sinds 1998 bestaat in Duitsland de politieke wil en moed om voluit te gaan voor hernieuwbare energie en ecotechnologie. De voordelen zijn legio: in de ecosector werden massaal veel jobs gecreëerd, en inmiddels is Duitsland een belangrijke ecotechnologie-exporteur. Bovendien werd het onafhankelijker voor zijn energie en vermeed het loodzware energiefacturen.

Uitdaging

Het Duitse voorbeeld toont aan dat een welvarend land ondanks suboptimale geografische omstandigheden perfect in staat is de klimaatcrisis aan te pakken. Maar dat is pas mogelijk als men een proactief beleid voert. Blijven zeuren over de beperkte mogelijkheden voor hernieuwbare energie in dit land is een selffulfilling prophecy. In plaats van energie te verspillen aan het zoeken naar uitvluchten wordt het dringend tijd massaal te investeren in de vereiste duurzaamheidtransitie naar een koolstofarme economie.

Als het VBO werkelijk de stem van de ondernemingen wil zijn, dan moet het zich ten volle inschakelen in dat duurzaamheidsverhaal. Het zaaien van ongegronde twijfel, met als doel oude, onduurzame en oneconomische gewoontes in stand te houden, leidt tot enorme economische en ecologische verliezen. Het wordt tijd dat het VBO inziet dat de klimaatcrisis een uitdaging is om de fundamenten van een duurzame economie te leggen. Het VBO kan zich spiegelen aan koplopers als Umicore en IMEC, die de boodschap al lang hebben begrepen.

De auteurs

Peter Tom Jones is onderzoeker aan de KULeuven en coauteur van ‘Het Klimaatboek’ (2007, EPO).

Simon Calcoen is politicoloog (Universitiet Gent) en deed onderzoek naar de positie van de VS en de EU in het Kyotoregime.

Opiniestuk van Jean-Pascal van Ypersele, Peter Tom Jones, Philippe Huybrechts en Serge de Gheldere, verschenen in De Standaard van 12/11/2007.

’Het is onbezonnen voluntaristisch om te wachten op een signaal van de markt (een drastische verhoging van de olieprijs) vooraleer een ernstige CO2-reductie na te streven’, vinden vier klimaatexperts in reactie op de ’economische klimaatscepticus’ Johan Albrecht.

Ondanks de onmiskenbare wetenschappelijke bewijslast blijft het klimaatscepticisme op veel belangstelling rekenen. Na de uitzending van Martin Durkins documentaire The Great Global Warming Swindle, Bjorn Lomborgs nieuwe boek Cool It, is het nu de beurt aan Johan Albrecht die met zijn kersverse boek ’Klimaatrelativisme’ een nieuw hoofdstuk aan het Groot Klimaatsceptische Woordenboek toevoegt.

 

Toegegeven: de ene relativist is de andere niet. Daar waar sceptici als Durkin de wetenschappelijke consensus inzake de aard en de menselijke oorzaken van de huidige globale opwarming nog trachten te ontkennen, gooien ’economische klimaatsceptici’ als Lomborg en Albrecht het over een andere boeg. Het klimaatprobleem en de oorzaken ervan worden op zich niet in vraag getrokken. Wel betwist men de ernst van het vraagstuk. Het VN-klimaatpanel (IPCC) wordt ervan beschuldigd van ’pessimistisch’ en nodeloos ’alarmistisch’ te werk te gaan. Dat is een zeer vreemde stelling als je weet dat het VN-klimaatpanel een consensusinstituut is: alleen datgene waarover een voldoende sterke consensus bestaat, wordt naar buiten gebracht. Dit impliceert dat de rapporten en de projecties van het IPCC eerder aan de voorzichtige kant zijn.

Dat werd recent nog eens bevestigd in het Amerikaanse vakblad PNAS. Onderzoekers tonen daarin aan dat de snel groeiende wereldeconomie in steeds sneller tempo CO-2 de lucht inpompt. De snelheid van de stijging (3,3 procent per jaar in de periode 2000-2006, ten opzichte van 1,3 procent per jaar in de jaren negentig) is zelfs groter dan men eind jaren negentig in het worst case scenario had geprojecteerd. Bovendien stelt men vast dat de efficiëntie waarmee de koolstofsinks (oceanen en landoppervlakte) een deel van de door de mens uitgestoten CO-2 terug absorberen, tanende lijkt te zijn.

Om de opwarming nog te beperken tot 2-2,4°C moet de mondiale broeikasgasuitstoot met 50 à 85 procent dalen tegen 2050, aldus het IPCC. Dit kan alleen gehaald worden indien er mondiaal wordt gewerkt aan een krachtdadig klimaatakkoord waarin alle belangrijke landen verplichtingen opnemen. Rekening houdend met het principe van ’gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’ betekent dit voor westerse landen als België een daling van de uitstoot in de grootte van 80 à 90 procent tegen 2050. Zulke reducties zijn mogelijk op voorwaarde dat overheden wereldwijd een beleid op poten zetten dat verregaande technologische evoluties en gedragswijzigingen beoogt. Door een rookgordijn op te trekken en op die manier het klimaatrelativisme te voeden, verhinder je juist dat zo’n beleid tot stand kan komen. Dat is de contradictie in de beweringen van sceptici als Lomborg en Albrecht. Hun nuancering van de zogenaamde klimaathype, gekoppeld aan een onwrikbaar geloof in de markt, valt niet te rijmen met de sense of urgency van het klimaatprobleem. Het is onbezonnen voluntaristisch om te wachten op een signaal van de markt (een drastische verhoging van de olieprijs) vooraleer een ernstige CO-2-reductie na te streven.

Dit brengt ons bij de ethische component in dit verhaal. Zelfs een opwarming van 2°C, die de EU hanteert als grens en die Albrecht ’aanvaardbaar’ noemt, zal grote gevolgen hebben voor vele miljoenen mensen in deze wereld. De landen die de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot hebben gezorgd (VS, EU en Japan) zijn niet de landen waar de klimaatgevolgen het meest ontwrichtend (zullen) zijn. Integendeel, de zwaarste klappen vallen net in die landen die amper verantwoordelijk zijn voor het probleem: de laaggelegen eilanden, zwart Afrika en de megadelta’s. De opwarming zal de al bestaande problemen verergeren. Het is dan ook vreemd te lezen dat Albrecht van mening is dat het klimaatprobleem minder relevant is dan het voedselprobleem. Sommige projecties geven aan dat bij een gemiddelde temperatuurtoename van meer dan 2,5°C er tegen 2080 minstens 3 miljard mensen zouden leven in zones met grote waterschaarste, met verregaande gevolgen voor… juist, de voedselproductie. Conclusie: boeken als ’Klimaatrelativisme’ en Cool It leiden tot een self-fulfilling prophecy. Hoe vaker deze stellingen worden herhaald, hoe groter de verwarring en de klimaatmoeheid bij de leek, hoe minder druk er wordt gezet op politici wereldwijd, hoe kleiner de kans dat we de gevaarlijke en voor een deel onomkeerbare klimaatwijzigingen nog kunnen voorkomen.

Klimaatrelativisme is niet meer bij de tijd. Zoals ook het VN-milieuprogramma erkende in zijn GEO-4 rapport, hebben we nu dringend behoefte aan een proactief, oplossingsgericht klimaatbeleid. Het positieve aan zo’n beleid is dat daar ook aangename neveneffecten aan verbonden zijn: nieuwe werkgelegenheid, herwonnen energieautonomie en lagere gezondheidskosten door een verbeterde luchtkwaliteit. Op die manier maken we de weg vrij voor een duurzame, werkende, aantrekkelijke, haalbare en betaalbare toekomst.

Peter Tom Jones is burgerlijk ingenieur milieukunde (KU Leuven), Serge de Gheldere is klimaatambassadeur, Philippe Huybrechts en Jean-Pascal van Ypersele zijn klimatologen aan de VUB en de UCL

Onderstaand opiniestuk verscheen in De Tijd van 23 oktober 2007.

Kiezen voor systematisch onderwaarderen van toekomst is immoreel

De Deense professor in de statistiek Bjorn Lomborg stelt dat zich aanpassen aan de klimaatveranderingen de enige oplossing is. Een stevig klimaatbeleid om verdere klimaatopwarming te voorkomen, is te duur en dus niet zinvol. Daarmee heeft Lomborg (geruisloos) een immense bocht genomen. In 2001 stelde hij in ‘The Skeptical Environmentalist’ nog dat het klimaat zeker niet met meer dan 2°C zou opwarmen. Nu het ondertussen zo goed als zeker is dat die grens voor gevaarlijke klimaatwijzigingen zal worden overschreden (zelfs in het meest optimistische scenario), is ook zijn betoog volledig verschoven naar het economische niveau. Lomborg zwaait met kosten-batenanalyses die zouden aantonen dat een klimaatbeleid economische nonsens is.

Zijn redenering is als volgt. Stel dat men vandaag doortastende en dus dure klimaatmaatregelen neemt, dan worden de gewenste gevolgen pas zichtbaar in een verre toekomst, door de traagheid in het klimaatsysteem. Om te beslissen of het zinvol is te investeren in een klimaatbeleid, moet men de kosten en de baten met elkaar vergelijken. Het toekomstige klimaatvoordeel wordt daarbij in geld uitgedrukt en teruggerekend naar een bedrag vandaag, de zogeheten ‘contante waarde’. Dat noemt men verdisconteren. Als het verdisconteerde klimaatvoordeel kleiner uitvalt dan de economische kostprijs van het beleid, dan zullen economen ervoor pleiten nu niets te ondernemen. Men kan dan beter geld uitgeven aan aanpassingsmaatregelen.

Subjectief

Cruciaal in deze investeringsafweging is evenwel de zeer subjectieve keuze van de discontovoet. Hoe hoger deze discontovoet, hoe minder een klimaatvoordeel in de toekomst vandaag monetair zal meetellen. Lomborg en andere klimaatsceptici opteren doelbewust voor hoge discontovoeten, en kiezen voor het systematisch onderwaarderen van de toekomst. Dat is immoreel.

Als men daarentegen gebruikmaakt van lagere discontovoeten, komt men tot heel andere conclusies. De voormalige Wereldbankeconoom Nicholas Stern maakte in opdracht van de Britse regering eveneens een grootschalige kosten-batenanalyse, evenwel met een relatief lage discontovoet. Zo kwam hij tot de conclusie dat men minstens 1 procent van het bruto mondiaal product zou moeten spenderen aan klimaatmaatregelen. Economisch gezien is dat zinvol, oordeelt Stern, omdat de kostprijs van zo’n beleid lager is dan de toekomstige schade in afwezigheid van een klimaatbeleid. Die schatte Stern op een jaarlijks bedrag van 5 tot 20 procent van het bruto mondiaal product.

Onomkeerbaar

In het vakblad Nature is bovendien aangetoond dat Lomborgs redenering niet is opgewassen tegen de complexiteit van het klimaatvraagstuk. Kwantitatieve kosten-batenanalyses zijn gebaseerd op een lineair en dus foutief beeld van het ecosysteem aarde. Want dat systeem wordt aangedreven door op elkaar inspelende, niet-lineaire processen met totaal verschillende snelheden. Wanneer de grens van 2°C wordt overschreden, komen we meer en meer terecht in onbekend gebied. Naarmate de temperatuur verder toeneemt – wat zal gebeuren zonder ernstig CO2-reductiebeleid – vergroot de kans dat kritische drempelwaarden worden overschreden. De gevolgen zijn dan niet precies bekend, maar ze zijn alleszins onomkeerbaar. Economische berekeningen worden dan puur speculatief.

Lomborg houdt evenmin rekening met het feit dat de landen die de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot hebben gezorgd (de VS, de EU en Japan) niet de landen zijn waar de klimaatgevolgen het meest ontwrichtend zijn. Integendeel, de zwaarste klappen vallen net in die landen die amper verantwoordelijk zijn voor het probleem: de laaggelegen eilanden, zwart Afrika en de megadelta’s. De opwarming zal volgens het VN-klimaatpanel de al bestaande problemen niet inperken, zoals Lomborg foutief stelt, maar juist verergeren: er komen meer voedseltekorten, waterschaarste, infectieziekten enzovoort.

Sommige projecties geven aan dat bij een gemiddelde temperatuurtoename van meer dan 2,5°C er tegen 2080 minstens 3 miljard mensen zouden leven in zones met extreme waterschaarste. Vanuit moreel standpunt alleen al moet het Westen zijn verantwoordelijkheid opnemen en zorgen voor een krachtig én rechtvaardig post-Kyotoakkoord (vanaf 2012), waar zowel aanpassing als de daling van de uitstoot centraal staat. Die combinatie is essentieel. Zonder een verregaand mondiaal CO2-reductiebeleid is aanpassen dweilen met de kraan open.

Dat niet alles kommer en kwel is bij een streng klimaatbeleid werd duidelijk aangetoond door een recente studie van het Europees Vakverbond. Het berekende dat er bij een daling van de uitstoot in de EU-25 met 40 procent tegen 2030 netto 1,5 procent extra jobs zouden worden gecreëerd. En dan zwijgen we nog over de positieve neveneffecten voor energieautonomie, luchtkwaliteit en lagere energiefacturen.

Peter Tom Jones is postdoctoraal onderzoeker aan de KULeuven en was onfhankelijk kandidaat op de senaatslijst voor Groen! Els Keytsman is econome en gemeenteraadslid voor Groen! Beiden schreven ‘Het klimaatboek. Pleidooi voor een ecologische omslag’ (EPO, 2007).

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag