opinie


Dit opiniestuk werd geschreven naar aanleiding van het EU-klimaatplan dat vorige week werd bekend gemaakt. Het stuk verscheen in De Tijd van 30/1/2008.

EU-KLIMAATPLAN: Elk welvarend land kan streefcijfers halen

Volgens het klimaat- en energieplan van de Europese Commissie moet de Europese Unie tegen 2020 de broeikasgasuitstoot met 20 procent verminderen tegenover het niveau in 1990. Dat zou worden opgetrokken tot het ambitieuzere – en wetenschappelijk relevantere – cijfer van 30 procent als ook andere grote vervuilers zoals de Verenigde Staten, India en China hun verantwoordelijkheid opnemen.

Voorts moet tegen 2020 een vijfde van het energieverbruik uit alternatieve energie komen. België moet zijn uitstoot met 15 procent verminderen en 13 procent van zijn verbruik uit hernieuwbare energie halen. De Commissie baseerde zich bij de lastenverdeling op de uitstoot en het aandeel hernieuwbare energie van 2005. Dat speelde in ons voordeel, omdat we met onze schamele 2,2 procent hernieuwbare energie helemaal achteraan zaten in de Europese klas. Het Belgische streefcijfer blijft dus ruim onder het EU-gemiddelde.

De Commissie raamt de toepassingskosten van het plan op gemiddeld 0,6 procent van het Europese bruto binnenlands product (bbp), of ruwweg 3 euro per persoon per week. Maar het beleid is noodzakelijk om toekomstige kosten te voorkomen die volgens een toonaangevend rapport minstens tien keer zo hoog liggen. Omdat België altijd een slechte leerling is geweest voor alternatieve energie, lopen de toepassingskosten voor ons land nu op tot 0,7 procent van het bbp. Dat neemt niet weg dat de Commissie nogmaals bereid was toegevingen te doen. We krijgen 10 procent extra uitstootrechten, die we via het Europese emissiehandelssysteem te gelde kunnen maken. De opbrengst daarvan moet ons extra investerings- middelen leveren voor groene energie.

Ondanks die uiterst voordelige correcties vindt het VBO dat andere lidstaten beter geplaatst zijn om voor de Europese norm in de bres te springen. Topman Rudi Thomaes ‘waarschuwt’ ervoor dat België dreigt te verarmen en jobs zal verliezen als de regering er niet in slaagt een (nog) voordeliger regime te onderhandelen.

Het VBO zegt dat het economisch maximaal benutbare potentieel voor hernieuwbare energie slechts 8 procent bedraagt. Voor het uittekenen van haar voorstel en het bepalen van het Belgische 13 procentcijfer baseerde de Commissie zich nochtans op een zestal recente studies en het advies van een leger experts. Intussen lanceerde men publieke raadplegingen en werd ook met de lidstaten overlegd over de haalbaarheid. Dat consultatieproces nam bijna een jaar in beslag.

Als belangrijkste oorzaak van ons vermeende gebrek aan potentieel voor alternatieve energie verwijst Thomaes naar onze korte kustlijn, de matige zonneschijn en het relatief klein aandeel gebergte. Waarom slaagt een land als Duitsland – dat zich ook met dat relatieve tekort aan zonlicht, berg- en kustgebied behelpt – er dan wél in zijn aandeel hernieuwbare energie fors op te drijven (6% in 2005)?

Sinds 1998 bestaat in Duitsland de politieke wil en moed om voluit te gaan voor hernieuwbare energie en ecotechnologie. De voordelen zijn legio: in de ecosector werden massaal veel jobs gecreëerd, en inmiddels is Duitsland een belangrijke ecotechnologie-exporteur. Bovendien werd het onafhankelijker voor zijn energie en vermeed het loodzware energiefacturen.

Uitdaging

Het Duitse voorbeeld toont aan dat een welvarend land ondanks suboptimale geografische omstandigheden perfect in staat is de klimaatcrisis aan te pakken. Maar dat is pas mogelijk als men een proactief beleid voert. Blijven zeuren over de beperkte mogelijkheden voor hernieuwbare energie in dit land is een selffulfilling prophecy. In plaats van energie te verspillen aan het zoeken naar uitvluchten wordt het dringend tijd massaal te investeren in de vereiste duurzaamheidtransitie naar een koolstofarme economie.

Als het VBO werkelijk de stem van de ondernemingen wil zijn, dan moet het zich ten volle inschakelen in dat duurzaamheidsverhaal. Het zaaien van ongegronde twijfel, met als doel oude, onduurzame en oneconomische gewoontes in stand te houden, leidt tot enorme economische en ecologische verliezen. Het wordt tijd dat het VBO inziet dat de klimaatcrisis een uitdaging is om de fundamenten van een duurzame economie te leggen. Het VBO kan zich spiegelen aan koplopers als Umicore en IMEC, die de boodschap al lang hebben begrepen.

De auteurs

Peter Tom Jones is onderzoeker aan de KULeuven en coauteur van ‘Het Klimaatboek’ (2007, EPO).

Simon Calcoen is politicoloog (Universitiet Gent) en deed onderzoek naar de positie van de VS en de EU in het Kyotoregime.

Opiniestuk van Jean-Pascal van Ypersele, Peter Tom Jones, Philippe Huybrechts en Serge de Gheldere, verschenen in De Standaard van 12/11/2007.

’Het is onbezonnen voluntaristisch om te wachten op een signaal van de markt (een drastische verhoging van de olieprijs) vooraleer een ernstige CO2-reductie na te streven’, vinden vier klimaatexperts in reactie op de ’economische klimaatscepticus’ Johan Albrecht.

Ondanks de onmiskenbare wetenschappelijke bewijslast blijft het klimaatscepticisme op veel belangstelling rekenen. Na de uitzending van Martin Durkins documentaire The Great Global Warming Swindle, Bjorn Lomborgs nieuwe boek Cool It, is het nu de beurt aan Johan Albrecht die met zijn kersverse boek ’Klimaatrelativisme’ een nieuw hoofdstuk aan het Groot Klimaatsceptische Woordenboek toevoegt.

 

Toegegeven: de ene relativist is de andere niet. Daar waar sceptici als Durkin de wetenschappelijke consensus inzake de aard en de menselijke oorzaken van de huidige globale opwarming nog trachten te ontkennen, gooien ’economische klimaatsceptici’ als Lomborg en Albrecht het over een andere boeg. Het klimaatprobleem en de oorzaken ervan worden op zich niet in vraag getrokken. Wel betwist men de ernst van het vraagstuk. Het VN-klimaatpanel (IPCC) wordt ervan beschuldigd van ’pessimistisch’ en nodeloos ’alarmistisch’ te werk te gaan. Dat is een zeer vreemde stelling als je weet dat het VN-klimaatpanel een consensusinstituut is: alleen datgene waarover een voldoende sterke consensus bestaat, wordt naar buiten gebracht. Dit impliceert dat de rapporten en de projecties van het IPCC eerder aan de voorzichtige kant zijn.

Dat werd recent nog eens bevestigd in het Amerikaanse vakblad PNAS. Onderzoekers tonen daarin aan dat de snel groeiende wereldeconomie in steeds sneller tempo CO-2 de lucht inpompt. De snelheid van de stijging (3,3 procent per jaar in de periode 2000-2006, ten opzichte van 1,3 procent per jaar in de jaren negentig) is zelfs groter dan men eind jaren negentig in het worst case scenario had geprojecteerd. Bovendien stelt men vast dat de efficiëntie waarmee de koolstofsinks (oceanen en landoppervlakte) een deel van de door de mens uitgestoten CO-2 terug absorberen, tanende lijkt te zijn.

Om de opwarming nog te beperken tot 2-2,4°C moet de mondiale broeikasgasuitstoot met 50 à 85 procent dalen tegen 2050, aldus het IPCC. Dit kan alleen gehaald worden indien er mondiaal wordt gewerkt aan een krachtdadig klimaatakkoord waarin alle belangrijke landen verplichtingen opnemen. Rekening houdend met het principe van ’gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’ betekent dit voor westerse landen als België een daling van de uitstoot in de grootte van 80 à 90 procent tegen 2050. Zulke reducties zijn mogelijk op voorwaarde dat overheden wereldwijd een beleid op poten zetten dat verregaande technologische evoluties en gedragswijzigingen beoogt. Door een rookgordijn op te trekken en op die manier het klimaatrelativisme te voeden, verhinder je juist dat zo’n beleid tot stand kan komen. Dat is de contradictie in de beweringen van sceptici als Lomborg en Albrecht. Hun nuancering van de zogenaamde klimaathype, gekoppeld aan een onwrikbaar geloof in de markt, valt niet te rijmen met de sense of urgency van het klimaatprobleem. Het is onbezonnen voluntaristisch om te wachten op een signaal van de markt (een drastische verhoging van de olieprijs) vooraleer een ernstige CO-2-reductie na te streven.

Dit brengt ons bij de ethische component in dit verhaal. Zelfs een opwarming van 2°C, die de EU hanteert als grens en die Albrecht ’aanvaardbaar’ noemt, zal grote gevolgen hebben voor vele miljoenen mensen in deze wereld. De landen die de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot hebben gezorgd (VS, EU en Japan) zijn niet de landen waar de klimaatgevolgen het meest ontwrichtend (zullen) zijn. Integendeel, de zwaarste klappen vallen net in die landen die amper verantwoordelijk zijn voor het probleem: de laaggelegen eilanden, zwart Afrika en de megadelta’s. De opwarming zal de al bestaande problemen verergeren. Het is dan ook vreemd te lezen dat Albrecht van mening is dat het klimaatprobleem minder relevant is dan het voedselprobleem. Sommige projecties geven aan dat bij een gemiddelde temperatuurtoename van meer dan 2,5°C er tegen 2080 minstens 3 miljard mensen zouden leven in zones met grote waterschaarste, met verregaande gevolgen voor… juist, de voedselproductie. Conclusie: boeken als ’Klimaatrelativisme’ en Cool It leiden tot een self-fulfilling prophecy. Hoe vaker deze stellingen worden herhaald, hoe groter de verwarring en de klimaatmoeheid bij de leek, hoe minder druk er wordt gezet op politici wereldwijd, hoe kleiner de kans dat we de gevaarlijke en voor een deel onomkeerbare klimaatwijzigingen nog kunnen voorkomen.

Klimaatrelativisme is niet meer bij de tijd. Zoals ook het VN-milieuprogramma erkende in zijn GEO-4 rapport, hebben we nu dringend behoefte aan een proactief, oplossingsgericht klimaatbeleid. Het positieve aan zo’n beleid is dat daar ook aangename neveneffecten aan verbonden zijn: nieuwe werkgelegenheid, herwonnen energieautonomie en lagere gezondheidskosten door een verbeterde luchtkwaliteit. Op die manier maken we de weg vrij voor een duurzame, werkende, aantrekkelijke, haalbare en betaalbare toekomst.

Peter Tom Jones is burgerlijk ingenieur milieukunde (KU Leuven), Serge de Gheldere is klimaatambassadeur, Philippe Huybrechts en Jean-Pascal van Ypersele zijn klimatologen aan de VUB en de UCL

Onderstaand opiniestuk verscheen in De Tijd van 23 oktober 2007.

Kiezen voor systematisch onderwaarderen van toekomst is immoreel

De Deense professor in de statistiek Bjorn Lomborg stelt dat zich aanpassen aan de klimaatveranderingen de enige oplossing is. Een stevig klimaatbeleid om verdere klimaatopwarming te voorkomen, is te duur en dus niet zinvol. Daarmee heeft Lomborg (geruisloos) een immense bocht genomen. In 2001 stelde hij in ‘The Skeptical Environmentalist’ nog dat het klimaat zeker niet met meer dan 2°C zou opwarmen. Nu het ondertussen zo goed als zeker is dat die grens voor gevaarlijke klimaatwijzigingen zal worden overschreden (zelfs in het meest optimistische scenario), is ook zijn betoog volledig verschoven naar het economische niveau. Lomborg zwaait met kosten-batenanalyses die zouden aantonen dat een klimaatbeleid economische nonsens is.

Zijn redenering is als volgt. Stel dat men vandaag doortastende en dus dure klimaatmaatregelen neemt, dan worden de gewenste gevolgen pas zichtbaar in een verre toekomst, door de traagheid in het klimaatsysteem. Om te beslissen of het zinvol is te investeren in een klimaatbeleid, moet men de kosten en de baten met elkaar vergelijken. Het toekomstige klimaatvoordeel wordt daarbij in geld uitgedrukt en teruggerekend naar een bedrag vandaag, de zogeheten ‘contante waarde’. Dat noemt men verdisconteren. Als het verdisconteerde klimaatvoordeel kleiner uitvalt dan de economische kostprijs van het beleid, dan zullen economen ervoor pleiten nu niets te ondernemen. Men kan dan beter geld uitgeven aan aanpassingsmaatregelen.

Subjectief

Cruciaal in deze investeringsafweging is evenwel de zeer subjectieve keuze van de discontovoet. Hoe hoger deze discontovoet, hoe minder een klimaatvoordeel in de toekomst vandaag monetair zal meetellen. Lomborg en andere klimaatsceptici opteren doelbewust voor hoge discontovoeten, en kiezen voor het systematisch onderwaarderen van de toekomst. Dat is immoreel.

Als men daarentegen gebruikmaakt van lagere discontovoeten, komt men tot heel andere conclusies. De voormalige Wereldbankeconoom Nicholas Stern maakte in opdracht van de Britse regering eveneens een grootschalige kosten-batenanalyse, evenwel met een relatief lage discontovoet. Zo kwam hij tot de conclusie dat men minstens 1 procent van het bruto mondiaal product zou moeten spenderen aan klimaatmaatregelen. Economisch gezien is dat zinvol, oordeelt Stern, omdat de kostprijs van zo’n beleid lager is dan de toekomstige schade in afwezigheid van een klimaatbeleid. Die schatte Stern op een jaarlijks bedrag van 5 tot 20 procent van het bruto mondiaal product.

Onomkeerbaar

In het vakblad Nature is bovendien aangetoond dat Lomborgs redenering niet is opgewassen tegen de complexiteit van het klimaatvraagstuk. Kwantitatieve kosten-batenanalyses zijn gebaseerd op een lineair en dus foutief beeld van het ecosysteem aarde. Want dat systeem wordt aangedreven door op elkaar inspelende, niet-lineaire processen met totaal verschillende snelheden. Wanneer de grens van 2°C wordt overschreden, komen we meer en meer terecht in onbekend gebied. Naarmate de temperatuur verder toeneemt – wat zal gebeuren zonder ernstig CO2-reductiebeleid – vergroot de kans dat kritische drempelwaarden worden overschreden. De gevolgen zijn dan niet precies bekend, maar ze zijn alleszins onomkeerbaar. Economische berekeningen worden dan puur speculatief.

Lomborg houdt evenmin rekening met het feit dat de landen die de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot hebben gezorgd (de VS, de EU en Japan) niet de landen zijn waar de klimaatgevolgen het meest ontwrichtend zijn. Integendeel, de zwaarste klappen vallen net in die landen die amper verantwoordelijk zijn voor het probleem: de laaggelegen eilanden, zwart Afrika en de megadelta’s. De opwarming zal volgens het VN-klimaatpanel de al bestaande problemen niet inperken, zoals Lomborg foutief stelt, maar juist verergeren: er komen meer voedseltekorten, waterschaarste, infectieziekten enzovoort.

Sommige projecties geven aan dat bij een gemiddelde temperatuurtoename van meer dan 2,5°C er tegen 2080 minstens 3 miljard mensen zouden leven in zones met extreme waterschaarste. Vanuit moreel standpunt alleen al moet het Westen zijn verantwoordelijkheid opnemen en zorgen voor een krachtig én rechtvaardig post-Kyotoakkoord (vanaf 2012), waar zowel aanpassing als de daling van de uitstoot centraal staat. Die combinatie is essentieel. Zonder een verregaand mondiaal CO2-reductiebeleid is aanpassen dweilen met de kraan open.

Dat niet alles kommer en kwel is bij een streng klimaatbeleid werd duidelijk aangetoond door een recente studie van het Europees Vakverbond. Het berekende dat er bij een daling van de uitstoot in de EU-25 met 40 procent tegen 2030 netto 1,5 procent extra jobs zouden worden gecreëerd. En dan zwijgen we nog over de positieve neveneffecten voor energieautonomie, luchtkwaliteit en lagere energiefacturen.

Peter Tom Jones is postdoctoraal onderzoeker aan de KULeuven en was onfhankelijk kandidaat op de senaatslijst voor Groen! Els Keytsman is econome en gemeenteraadslid voor Groen! Beiden schreven ‘Het klimaatboek. Pleidooi voor een ecologische omslag’ (EPO, 2007).

Gisteren (5/9/2007, nvdr) kon u in deze krant (De Morgen, nvdr) lezen hoe de ecotaks de Belgische consument over de grens jaagt. Sinds de invoering ervan in 2003 hebben Belgen bijna 50 procent meer aan winkelen over de grens besteed. Maar de tragedie van de ecotaks kent veel meer bedrijven.

Achter ecofiscaliteit zit een simpele maar efficiënte filosofie: de milieuvriendelijke consument wordt financieel beloond en de vervuiler betaalt. Milieutaksen kunnen gemakkelijk vermeden worden door te kiezen voor ecologische alternatieven. Op die manier worden consumenten en bedrijven gestimuleerd om te kiezen voor ecologische producten. De opbrengsten van milieutaksen worden gebruikt om een gericht milieubeleid te voeren. En als ecotaksen worden gecompenseerd door lagere arbeidslasten schept men heel wat banen, stelt ook de OESO.

Het ecotaksakkoord uit 1993 zat oorspronkelijk zo in elkaar: herbruikbare verpakkingen die beter zijn voor het milieu worden goedkoper gemaakt dan wegwerpverpakkingen die slecht zijn voor het milieu. De voormalige CVP, nu CD&V, die zo graag koketteert met goed en betrouwbaar bestuur, boycotte echter moedwillig dat akkoord en wijzigde de ecotakswet niet minder dan zeven keer. Ondanks die pogingen om een efficiënt afvalbeleid te ondergraven, heeft die ecotakswet ook positieve gevolgen gehad. België is Europees koploper op het vlak van sorteren en recycleren van afval. “Ik beschouw de ecotaks als een van de beste mislukkingen van mijn loopbaan”, stelt voormalig Agalevkopman Jos Geysels dan ook in Knack van 7 februari 2007.

In 2003 goot de paars-groene regering de ecologische filosofie in een wet. Met de combinatie van ecoboni en ecotaksen was het de bedoeling “niet het beleid van de overheid te financieren, maar wel de gedragspatronen van de producenten en de consumenten te wijzigen en milieuvriendelijker te maken”, zoals de memorie weergeeft. De bedoeling van die paars-groene maatregel was de consument die kiest voor milieuvriendelijke verpakkingen te belonen. Bijkomend voordeel ervan waren de verlaagde accijnzen en btw op bepaalde dranken, wat het drankentoerisme naar het buitenland kon indijken.

Maar wat later verlieten de paarse partijen die ecologische filosofie en misbruikten ze de ecotaks voor budgettaire doeleinden. In juli 2005 werden de ecoboni afgeschaft, die nog maar bestonden sinds januari. Paars holde de ecotaks in 2006 zelfs volledig uit, toen ze er de ideale hefboom in zag om 320 miljoen euro extra middelen in kas te krijgen. Alle drankverpakkingen werden voortaan belast, wat vanuit ecologisch standpunt helemaal absurd is. De paarse ecotaks werd wel verkocht als belangrijk onderdeel van de strijd tegen de klimaatverandering. De groene schijn werd even opgehouden door te stellen dat de heffing zou afhangen van de CO2-uitstoot nodig voor de productie van de verpakkingen. Vrij onzinnig voor wie weet dat de productie van verpakkingen zorgt voor amper 0,5 procent van de totale CO2-uitstoot, en zoals voorspeld bleek die CO2-modulering technisch onmogelijk. Verhofstadt stootte met zijn ecotaks dan ook op een cascade van negatieve uitspraken door de Raad van State. Het paarse begrotingsbeleid is berucht voor zijn vele kunstgrepen en one shot-operaties om de begroting in evenwicht te brengen en zelfs de schijn van een begrotingsoverschot te wekken. Het goochelen met milieutaksen is een van de vele manipulaties die in dat kader past.

Nochtans is groene fiscaliteit cruciaal voor een doortastend milieubeleid. Door milieukosten van producten in rekening te brengen, bijvoorbeeld via taksen, kan de markt in een duurzame richting gestuurd worden. In het regeerakkoord van paars stond dat “op meerdere terreinen vergroening van de fiscaliteit zal worden ingevoerd”. De OESO, niet bepaald een groene organisatie en meestal heel diplomatisch, stelt in haar evaluatie van het Belgische milieubeleid (2007) dat “België geen actie heeft gestart voor een groene belastinghervorming, zoals we nochtans hadden aanbevolen in de vorige evaluatie (van 1998)“.

Open Vld, sp.a en ook CD&V hebben de voorbije jaren de groene fiscaliteit gewoon in diskrediet gebracht. De ecotaks is het symbool geworden van dat soort bedrog. Wat vandaag nog rest, zijn ordinaire belastingverhogingen. De milieubewuste consument betaalt het gelag en de ondernemingen die investeerden in milieuvriendelijke oplossingen komen bedrogen uit. Op die manier wordt het draagvlak voor echte milieutaksen en een doortastend milieubeleid ondergraven.

Els Keytsman, co-auteur van Het klimaatboek en beleidsmedewerker van Groen!

Peter Tom Jones, prof. Philippe Huybrechts, prof. Jean-Pacal Van Ypsersele, ir. Serge de Gheldere en de journalisten Alma De Walsche en John Vandaele publiceerden op 27 augustus een opiniestuk in De Standaard naar aanleiding van de aangekondigde vertoning van de misleidende film The Great Global Warming Swindle op Canvas diezelfde dag. Deze film werd die avond niet vertoond, omdat hij moest plaatsmaken voor de politieke actualiteit. In het opiniestuk vragen de schrijvers zich af waarom Canvas een film uitzendt waarvan overvloedig is aangetoond dat hij wetenschappelijke nonsens vertelt.

Canvas zou evenwel de onzindocumentaire kaderen in een minireeks over de opwarming van het klimaat. Na de uitzending zou Terzake doorlichten wat sommige wetenschappers drijft om de consensus over de klimaatverandering op losse schroeven te zetten. Resultaat zou een verbijsterende reportage zijn over hoe wetenschappers zich een conclusie laten opdringen en die met vuur verdedigen als het genoeg betaalt.

Het antwoord hierop is duidelijk: de “Swindle” past mooi in een strategie om actie tegen klimaatverandering tegen te houden, of tenminste te vertragen. Want nu de opwarming zelf met eigen ogen valt vast te stellen, plooien de zogenaamde sceptici terug op een volgende verdedigingslinie: “het is niet de schuld van de mens”, zoals Bram Claeys terecht stelt op de milieublog van Bond Beter Leefmilieu. Met duidelijke bedoelingen, want als het dan al onze schuld is, kan men nog twijfel zaaien over de impact van opwarming, of zeggen dat we alles moeten inzetten op zich aanpassen aan klimaatverandering, of nog beweren dat het onbetaalbaar is om iets te doen.

Onderstaande lezersbrief hebben Els Keytsman en Peter Tom Jones verzonden naar De Standaard als reactie op het zoveelste klimaatsceptische artikel, ditmaal van Emiel Verbroekhoven (DS, 18 juni).

Wat Emiel Van Broekhoven in DS van 18 juni in zijn column durft schrijven toont aan dat de professor personal finance bijzonder weinig kaas heeft gegeten van klimaatverandering.

Laten we beginnen met de aangehaalde gezagsargumenten van “leidinggevende wetenschappers” zoals hij zijn bronnen noemt. Richard Lindzen is weliswaar professor metereologie aan het Massachussets Institute of Technology, maar de man krijgt al meer dan 10 jaar geen teksten gepubliceerd in vakbladen als Nature of Science. Lindzen kan trouwens via verschillende organisaties worden gelinkt aan onder meer ExxonMobil. Professor Revelle is dan weer reeds overleden in 1991, en sindsdien is de klimaatwetenschap er toch wel enigzins op vooruit gegaan. De “stevige wetenschappelijke documentatie” van Salomon Kroonenberg ten slotte bulkt van de wetenschappelijke onjuistheden en is gebaseerd op verouderde gegevens. Zijn boek “De menselijke maat” werd dan ook aan geen enkele vorm van peer review kwaliteitscontrole onderworpen.

Ondanks de pogingen van enkelen om een rookgordijn op te trekken en zo verwarring te scheppen bij de gewone bevolking, blijft het feit dat er weldegelijk wetenschappelijke consensus is wat betreft klimaatverandering: de menselijke activiteit is veruit de grootste oorzaak van het versterkte broeikaseffect. De wijzigende zonneactviteit speelt hoogstens een kleine nevenrol in het opwarmingsverhaal, zoals duidelijk werd erkend in het jongste VN-klimaatrapport.

In andere landen beseft men echter maar al te goed wat de economische implicaties kunnen zijn van de klimaatverandering. Al in september 2004 wees de Conference Board, een belangrijke lobbygroep van 2000 bedrijven van over heel de wereld, ook multinationals, al op het grote gevaar van de opwarming van de aarde en drong hij aan op een krachtig optreden van overheden en privé-bedrijven. Nicholas Stern, voormalig medewerker van de Wereldbank, schat de kost van niets doen op 5 tot 20% van het wereldwijde BNP. Niet voor niets heeft elke Londense bank een klimatoloog in dienst. Ook verzekeringsmakelaars weten maar al te goed waar de klimaatklepel hangt. Swiss Re, ’s wereld grootste herverzekeraar, heeft al meermaals gewaarschuwd voor de opwarming van de aarde die de verzekeraars zal opzadelen met steeds hogere schadeclaims als gevolg van natuurrampen. En ook op het recente World Economic Forum in Davos pleitten heel wat bedrijven uit verschillende landen voor onder meer emissierechtenhandel.

Niet alleen zijn de aangehaalde bronnen lachwekkend, ook de redenering van Van Broekhoven houdt geen steek. Al blijft hij hardnekkig de vele wetenschappelijke bewijzen voor klimaatverandering naast zich neerleggen, dan nog is het economisch voordeliger om in plaats van steeds maar hogere energiefacturen te betalen, te investeren in energiebesparing en -efficiëntie. Veel eco-investeringen halen ook hogere rendementen dan een spaarboekje, obligaties of aandelen. Voor iemand die boeken en artikelen schrijft over persoonlijke financiële planning moet dat toch goed in de oren klinken?

Els Keytsman en Peter Tom Jones, auteurs van Het klimaatboek. Pleidooi voor een ecologische omslag. (EPO, 2007).

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag