pers


Dit artikel van Wetstraatjournaliste Liesbeth van Impe verscheen in De Morgen van dinsdag 17 april 2007.  (Het artikel bevat een kleine fout: Tom is uiteraard onafhankelijk kandidaat op de Senaatslijst voor Groen!, en geen Oostvlaams lijsttrekker).

“Natuurlijk kan ik zeggen welke klimaatmaatregelen we moeten nemen. Ik weet alleen niet hoe ik daarna nog verkozen moet raken.” Die boutade van sp.a-minister van Leefmilieu Bruno Tobback is aan de groenen duidelijk niet besteed. Al hebben ze van sp.a wel geleerd dat groen ook sociaal moet zijn.

Els Keytsman, die eerder al het groene klimaatplan uittekende, en Peter Tom Jones, lijsttrekker in Oost-Vlaanderen (sic: 2e plaats Senaat!) op 10 juni, leggen met hun Klimaatboek een plan op tafel vol concrete maatregelen om de klimaatopwarming af te remmen.

Ambitieus is het plan zeker: over 45 jaar moeten we in België 90 procent minder broeikasgassen uitstoten. Alle sectoren zullen daaraan moeten meewerken. “Premier Verhofstadt zegt dat de industrie al veel gedaan heeft en dat het nu aan de gezinnen is. Maar de industrie is nog altijd goed voor 30 procent van de uitstoot en dus zal ook daar iets moeten gebeuren”, haalde Keytsman een van de nieuwe pleitbezorgers van het klimaat onderuit.

Hoe langer we wachten, hoe gevaarlijker het wordt, is de stelling van Groen!. En dus moet het klimaat na 10 juni met urgentie op de agenda gezet worden. “Er moet een klimaatwet komen, met duidelijke doelstellingen per jaar. Een regering moet daarop afgerekend kunnen worden”, zegt Keytsman. Recente cijfers ondersteunen ook die roep om snelle maatregelen: “Uit alles blijkt dat we al veel inspanningen zullen moeten doen om de opwarming van de aarde niet veel meer dan twee graden te laten bedragen.”

Voor Groen! gaat het niet alleen om lijfsbehoud, maar ook om sociale rechtvaardigheid. “Het zijn de regio’s die het minst broeikasgassen uitstoten die het snelst in de problemen komen, zoals zwart Afrika en de grote delta’s, zoals in Bangladesh.” Maar ook voor de binnenlandse oplossing hebben de groenen permanent oog voor ’sociale’ oplossingen. “Er moet een sociale toets komen voor elke maatregel”, zegt Jones. Zo wil Groen! eerder met slimme heffingen en verhandelbare quota werken dan zware nieuwe belastingen in te voeren.

Een picnictaks op wegwerpbestek, zoals de paarse regering onder de noemer klimaatmaatregelen invoerde, zal volgens Groen! duidelijk niet volstaan. “Gerommel in de marge en zelfs stapsgewijze verbeteringen zijn niet voldoende”, zegt Jones. “Er is nu een totaalanalyse en en globale aanpak nodig.”

Daarom wil Groen! niet alleen een minister van Klimaat in de volgende regering maar dat moet het liefst ook een vicepremier zijn, die kan wegen op de regering. Want voor Groen! staat vast dat ook onpopulaire maatregelen nodig zijn. “Energie-efficiëntie is zeer belangrijk, maar we moeten ook naar een economie van het genoeg. We zullen met zijn allen beduidend minder energie moeten gebruiken.”

Opvallend was dat Groen! zich bij de voorstelling van het boek goed liet omringen. Niet alleen Greenpeace kwam het plan toejuichen maar ook de ACW-studiedienst. Vanuit de wetenschappelijke wereld leende klimaatspecialist Jean-Pascal van Ypersele zijn pen voor het voorwoord.

Dit opiniestuk van Peter Tom Jones verscheen in De Tijd van 13 april 2007. Het gaat over de wijze waarop klimaatsceptici te werk gaan. Het stuk verwijst ook naar de politiek-maatschappelijke traagheid en onwil om de globale opwarming aan te pakken.

De loopgravenoorlog van de klimaatsceptici

De globale opwarming vormt een gewichtig probleem voor mens en milieu, blijkt uit verschillende recente rapporten. Er is dringend nood aan actie, de speeltijd is voorbij. Nochtans blijven de politiek-maatschappelijke traagheid en onwil immens, en proberen klimaatsceptici hun gelijk door te voeren.

De globale opwarming vormt een gewichtig probleem voor mens en milieu. Dat werd vorige week nog maar eens bevestigd, toen het tweede deel bekendgemaakt werd van het Vierde Evaluatierapport van het Intergouvernementeel Panel inzake Klimaatverandering (IPCC) van de Verenigde Naties dat de impact van klimaatwijzigingen beschrijft. Uit het eerste deel was een maand geleden al gebleken dat de (gevaarlijke) grens van 2 graden opwarming ten opzichte van de pre-industriële temperatuur ‘bijna zeker’ nog deze eeuw overschreden zal worden. In afwezigheid van krachtdadige actie geven de rapporten een somber toekomstbeeld. Wij staan voor een historisch kruispunt. Nochtans blijft de politiek-maatschappelijke traagheid en onwil immens en blijven klimaatsceptici proberen hun gelijk door te voeren.
Het is bekend dat klimaatsceptici gedurende de laatste decennia een bitsige loopgravenoorlog hebben gevoerd, een gevecht waarbij zij gaandeweg terrein hebben moeten prijsgeven. Eerst opperden ze dat het klimaat helemaal niet opwarmt. Toen dat onmiskenbaar weerlegd kon worden, spitsten ze de aandacht toe op de oorzaken van de opwarming. Vervolgens, toen duidelijk werd dat de (industriële) mens de hoofdverantwoordelijke is, begon men vooral te discussiëren over de economische kant van de kwestie. Heeft het wel zin actie te ondernemen?

verantwoordelijkheid

De nieuwe rapporten van het VN- klimaatpanel verzetten de bakens in dat debat. Vorige maand beslechtte het eerste deel van het VN-Evaluatierapport de discussie omtrent de verantwoordelijkheidsvraag. Klimaatsceptici van de eerste generatie, die nog steeds aanvoeren dat de opwarming vooral natuurlijke oorzaken heeft, hebben anno 2007 geen wetenschappelijke poot meer om op te staan. Wat men ook moge beweren in bepaalde populaire magazines, dat debat is voorbij, althans in de wetenschappelijke vakliteratuur. Getuige daarvan de stortvloed aan artikels in referentiebladen als Science en Nature.

Het is dan ook bijzonder jammer om als geëngageerd wetenschapper te moeten vaststellen hoe hardnekkig dat denken blijkt te zijn. Het scepticisme sluimert zowel bij extreemrechtse partijen als in liberale kringen. Het is een beetje zoals bij het debat tussen klassieke biologen en creationisten over Darwins evolutietheorie. Gaan we in de toekomst voor elk debat waar een bioloog aan deelneemt, ook een creationist uitnodigen?

De tweede generatie klimaatsceptici staat een stap verder. Zij beseffen terdege dat de aarde opwarmt en dat de mens grotendeels verantwoordelijk is. Hun belangrijkste argument is dat het nemen van drastische klimaatmaatregelen economisch gezien weinig zinvol is. De positieve gevolgen van een krachtig beleid – de reductie van broeikasgassen bijvoorbeeld – worden immers pas zichtbaar in een verre toekomst. Monetair omgerekend naar een geldwaarde vandaag zou het sop de kool niet waard zijn. Hun conclusie luidt dat het veel zinvoller is de gevolgen af te wachten en vooral geld te spenderen aan aanpassingsmaatregelen (adaptatie).

Als men echter gebruik zou maken van lagere discontovoeten, komt men tot totaal andere conclusies. Bijvoorbeeld: Nicholas Stern gebruikte in zijn (inmiddels bekende) studie een zeer lage discontovoet (0,1%). Op die manier kwam hij tot de conclusie dat ‘niets doen’ een economische recessie zou teweegbrengen: een jaarlijks verlies van 5 tot 20 procent van het bruto mondiaal product. Dat toont meteen aan hoe gevoelig economische berekeningen zijn voor de precieze aannames die men maakt. Bovendien wordt in dat type van analyses geen rekening gehouden met de volgende ethische beschouwing: de landen die gedurende de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot verantwoordelijk waren, zijn niet de landen waar vandaag en morgen de slachtoffers vallen (onder meer de Aziatische megadelta’s en zwart Afrika). Dat is een van de kernboodschappen van het jongste IPCC-rapport.

Klimaatsceptici van de tweede generatie gaan volledig voorbij aan dat onrecht. Die kwetsbare regio’s beschikken niet over de middelen om zich aan te passen aan de toekomstige droogte (Afrika) of aan de stijging van de zeespiegel (megadelta’s). Een succesvol aanpassingsbeleid – noodzakelijk om de VN-Millenniumdoelstellingen te halen – vereist financiële hulp van de rijke landen.
contraproductief

Aanpassing is ook nodig in de rijke landen. Als gevolg van de traagheid in het klimaatsysteem zullen we sowieso te maken krijgen met een opwarming die grote effecten zal teweegbrengen. De komende tien tot veertig jaar is het daarom van vitaal belang aanpassingen door te voeren, want het zal decennia duren vooraleer de maatregelen voor broeikasgasreducties vruchten afwerpen.
Nochtans is adaptatie schromelijk onvoldoende. Adaptatie zonder te vermijden dat de opwarming te snel en te sterk verloopt (mitigatie) is contraproductief, de tweede kernboodschap van het jongste IPCC-rapport. De milieuschade en de economische kosten zullen dermate hoog oplopen dat drastische maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen vanaf nu te verminderen, zich wel degelijk aandienen. Waar we vandaag behoefte aan hebben, is zowel mitigatie als adaptatie. En/en in plaats van of/of.

Zoals het Belgische IPCC-lid Jean-Pascal Van Ypersele heeft aangegeven, moeten we komen tot reductiedoelstellingen die het mogelijk maken de CO2-concentratie te stabiliseren op 400 ppm, terwijl we nu aan circa 380 ppm zitten. Een tijdelijke overschrijding van die limiet mag worden getolereerd, maar dan moet die concentratie snel naar beneden. Op mondiaal vlak moet daarom dringend werk worden gemaakt van een verregaand post-Kyotoakkoord, waarin men voor de periode na 2012 op een ‘rechtvaardige’ wijze alle landen ter wereld betrekt. Rijke landen zullen het voortouw moeten nemen.

Pas als wij onze uitstoot drastisch doen dalen (met 30% tegen 2020, met 80 à 90% tegen 2050), kunnen we van landen als China, Brazilië en India verwachten dat zij overschakelen naar een lagekoolstofeconomie. Hoe sneller die duurzaamheidstransitie wordt ingezet, hoe groter de kans dat het doemscenario wordt vermeden.
Op nationaal en Vlaams niveau kunnen wij mee het initiatief nemen. Zo’n ecologische omslag biedt bovendien heel wat kansen op het vlak van nieuwe werkgelegenheid in de ecotechnologische sector. De speeltijd is voorbij. De tijd is gekomen om een moedig en vooruitziend beleid te voeren, vooraleer het definitief te laat is.

Dit artikel verscheen in De Standaard van 13 april naar aanleiding van de Groen!-persconferentie in Leuven, waar de kandidaten voor de federale verkiezingen officieel werden voorgesteld.

LEUVEN – Leuvenaar Peter Tom Jones, die als onafhankelijke tweede staat op de senaatslijst voor Groen!, heeft vrijdag bij de voorstelling van het partijprogramma van Groen! in Leuven gepleit voor een verschuiving van de fiscale druk van arbeid op het gebruik van natuur. De KUL-onderzoeker industriële ecologie is de co-auteur van het Klimaat Boek dat maandag aan de pers wordt voorgesteld.

Jones bepleitte onder meer de invoering van een “slimme kilometerheffing” die rekening houdt met de milieuvriendelijkheid van de auto, de plaats en het tijdstip. “De opbrengst dient gestort te worden in het Sociaal Klimaatfonds waarmee woningrenovaties door sociaal minstbedeelden betoelaagd moeten worden. Hun woningen zijn doorgaans het slechtst geïsoleerd”, aldus Jones. Hij pleitte ook voor het gedeeltelijk terugbetalen van de registratierechten voor ecologische renovaties.

Klimaatwet

Groen! eist verder een klimaatwet met duidelijke doelstellingen op het vlak van reductie van de uitstoot van broeikasgassen. Tegen 2020 moet er een vermindering zijn met 30 procent, tegen 2050 met 80 procent.

De partij eist ook de aanstelling van een vice-premier voor klimaat en energie met “serieuze bevoegdheden en portefeuille”. Ons land moet verder een ernstig impulsprogramma op touw zetten voor het gebruik van energie uit zon, wind en warmtekrachtkoppeling.

Volgens Jones is Groen! de enige partij die geloofwaardig is als het erop aankomt maatregelen te nemen die de opwarming van de aarde afremmen. “We moeten tegelijk de nodige maatregelen nemen om ons aan te passen aan het opwarmend klimaat. Daarnaast blijft ook een drastische reductie in de broeikasgasuitstoot absoluut noodzakelijk. Op mondiaal niveau moet tegen 2050 60 procent minder uitgestoten worden, in het noorden 80 tot 90 procent minder. Strijd tegen de opwarming is ook sociaal vermits vooral de sociaal zwakkeren getroffen zullen worden.”

In De Standaard van 12 april 2007 verscheen een artikel van redacteur Dominique Minten. Uit verschillende interviews, onder meer met Els Keytsman, blijkt dat minstens 30 miljoen euro bedoeld voor klimaatinvesteringen gewoonweg niet wordt gebruikt. Andere middelen worden dan weer ingezet voor totaal andere doeleinden dan oorspronkelijk vooropgesteld. Bovendien wordt té veel geld voorzien om buitenlandse emissierechten aan te kopen, in plaats van te investeren in luchtkwaliteit met bijhorende extra jobs in eigen land. Eerder al verscheen in Knack ook een artikel over het wanbeleid van de huidige regeringen op vlak van klimaat.

De voorbije jaren zijn in ons land verschillende energiefondsen opgericht. Het geld in die fondsen – op dit moment zou het gaan om ongeveer 280 miljoen euro – is bedoeld om geïnvesteerd te worden in “klimaatbeleid”. Het kan gebruikt worden om bijvoorbeeld energiebesparende investeringen te doen in overheidsgebouwen of in sociale woningen. “Alleen wordt dat geld daar nauwelijks voor gebruikt”, zegt Els Keytsman van Groen!. Het belangrijkste fonds is het ‘broeikasgasfonds’ of ‘Kyotofonds’. Dat werd eind 2002 opgericht en wordt gestijfd door de consument via een bijdrage op de elektriciteit. De voorbije vier jaar is er jaarlijks ongeveer 25 miljoen euro in gestort. In het fonds zit op dit moment ongeveer 100 miljoen euro”, bevestigt Paul Scimar, financieel manager van de Creg, de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas. De Creg beheert het fonds. Maar met dat geld gebeurt zo goed als niets.

“Dat geld is bestemd voor investeringen in schone technologieën in het buitenland’‘, zegt minister van Leefmilieu Bruno Tobback (SP.A). “Dat is wettelijk vastgelegd. Als de gewesten de uitstoot van broeikasgassen te weinig verminderen, kan dat tekort gecompenseerd worden door investeringen in het buitenland. Dat geld moet geblokkeerd zijn. Tot nog toe hebben we slechts geïnvesteerd in één buitenlands project, in El Salvador, voor 1,1 miljoen euro.” Toch moet niet de volledige 100 miljoen euro gebruikt worden voor buitenlandse investeringen. Volgens Scimar moet slechts 60 miljoen voorbehouden zijn voor zulke investeringen. “Daarnaast wordt elk jaar ook 2,3 miljoen euro gebruikt voor de FOD Leefmilieu. Over vier jaar is dat bijna 10 miljoen euro.” Er blijft dus nog 30 miljoen over. Wat gebeurt daarmee? Volgens de wet moet het gebruikt worden voor ‘de financiering van federaal beleid ter reductie van de emissie van broeikasgassen’. “Maar op dit moment gebeurt met dat geld niets”, zegt Scimar. “En onze enige bevoegdheid is het beheer van het geld.”

Ook de andere fondsen werken volgens Keytsman niet naar behoren. “Er is een sociaal energiefonds dat vorig jaar over 46 miljoen beschikte. Dat geld gaat naar de OCMW’s die het moeten gebruiken voor sociaal energiebeleid. Alleen gebruiken die OCMW’s het geld vooral voor het betalen van personeel.” Fedesco is dan weer een autonoom overheidsbedrijf dat energiebesparende projecten moet financieren in de 1.800 federale overheidsgebouwen. Vorig jaar werden zeven energieaudits uitgevoerd. “Maar dat was een overgangsjaar”, zegt directeur Lieven Vanstraelen. “De regering heeft pas onze financieringscapaciteit opgetrokken, waardoor we ons investeringsscenario voor de komende vijf jaar kunnen optrekken van 17,5 miljoen euro tot 35 à 40 miljoen euro.” Toch werd sinds 2004 zeker ook geïnvesteerd in klimaatmaatregelen. Zo ging 70 miljoen euro naar gratis woon-werkverkeer en 75 miljoen naar extra fiscale aftrek voor energiebesparende maatregelen.

Naar aanleiding van het verschijnen van Het Klimaatboek nam Knack-journaliste Celine De Coster een interview af over het het wanbeheer van de verschillende energie- en klimaatfondsen. Hieronder vind je de tekst van het interview, we hebben er zelf links aan vernoemde studies, personen en organisaties aan toegevoegd.

Meer fondsen dan maatregelen

Het Belgische energie- en woonbeleid blinkt uit in kortetermijndenken, vindt Els Keytsman van Groen! ‘Zowat elke minister heeft zijn eigen energiefonds, en het geld daarvan wordt niet gebruikt waarvoor het eigenlijk bestemd is.’

Klimaat, energie en wonen: het hangt allemaal samen. België moet tegen 2012 zijn uitstoot van broeikasgassen met 7,5 procent verminderen tegenover 1990. Alleen dan voldoet ons land aan de doelstellingen van het Kyotoprotocol. Het kan dus niet anders of we moeten hernieuwbare energiebronnen aanboren als milieuvriendelijk alternatief, en daarnaast is het aangewezen om onze woningen energiezuinig te maken.

Goede informatie daarover is heel erg nodig. ‘Jammer genoeg blinkt het paarse beleid ter zake niet uit in transparantie’ zegt Els Keytsman, tweede op de Oost-Vlaamse Kamerlijst voor Groen! ‘Bovendien hebben de jongste maatregelen rond klimaat, energie en wonen een hoog ad-hocgehalte. De stookoliecheques voor gezinnen met een laag inkomen, bijvoorbeeld. Die worden uitgedeeld als de olieprijzen stijgen, maar daarna staan we weer even ver. Naar duurzame alternatieven wordt niet gezocht.’

Het is slechts een van de dingen die Els Keytsman aankaart in Het klimaatboek, pleidooi voor een ecologische omslag dat op 16 april in de rekken ligt. Ze schreef het samen met Peter Tom Jones, klimaatwetenschapper en op 10 juni tweede op de Senaatslijst voor Groen! ‘We vonden dat het tijd was voor actie, want het klimaatprobleem is zeer acuut. En ja, de overheid hééft al maatregelen genomen, maar niet genoeg om de vereiste omslag teweeg te brengen. Bovendien staan alle maatregelen los van elkaar, wat de doeltreffendheid ervan niet ten goede komt.’

Keytsman richt haar pijlen vooral op de energiefondsen die de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. Op federaal niveau alleen al zijn het er zes (zie kader). De zes fondsen hebben samen ongeveer 280 miljoen euro, maar het grootste deel van dat geld ligt te slapen – of wordt niet gebruikt waarvoor het eigenlijk bedoeld was.

‘Neem nu het Kyotofonds’, zegt Keytsman. ‘Aanvankelijk was het de bedoeling om er vooral energie-efficiënte investeringen mee te subsidiëren. Blijkt nu dat het meeste geld gereserveerd wordt voor de aankoop van vervuilingsrechten in het buitenland, om zo de Kyotonorm te halen. Dat helpt natuurlijk óók, maar de kern van het verhaal zouden bínnenlandse klimaatmaatregelen moeten zijn. Temeer omdat het om geld gaat dat afkomstig is van de Belgische consument.’

Els Keytsman rukt de zaken uit hun groter verband, vindt Bruno Tobback, federaal minister van Leefmilieu (SP.A). ‘In 2004 hebben de verschillende overheden in ons land een samenwerkingsakkoord gesloten over Kyoto. Om ons doel te bereiken, engageerde elke overheid zich ertoe om twee derde van het verhaal in eigen land te verwezenlijken – met fiscale voordelen voor milieuvriendelijke investeringen bijvoorbeeld – en één derde werd gereserveerd voor emissierechten in het buitenland. Nu pas komt het Kyotofonds op de proppen. Het gaat inderdaad om een geldreserve, die we achter de hand houden voor als zou blijken dat we onze doelstellingen niet halen. Maar tot nu toe werden er nog geen emissierechten in het buitenland mee gekocht.’

Behalve het Kyotofonds zijn er nog vijf andere energiefondsen, zoals Fedesco. De bedoeling van dit fonds: het laten uitvoeren van energieaudits in overheidsgebouwen, en energie-efficiënte projecten voorfinancieren. Voor 2007 werden audits voorzien in slechts 8 overheidsgebouwen, op een totaal van ongeveer 1.800, viste Els Keytsman uit. ‘Dat is absoluut niet waar’ reageert Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling (Spirit). ‘Er staan echt wel meer audits op stapel. Fedesco heeft misschien enkele kinderziekten gehad – er zijn audits uitgevoerd in gebouwen die binnenkort leeg komen te staan, bijvoorbeeld, en we hebben een tijdje zonder algemeen directeur gezeten – maar nu werkt Fedesco stilaan op kruissnelheid.’

In het pakket energiefondsen zitten ook fondsen die zich het lot van mensen in armoede aantrekken – hun schrijnende toestand wordt vaak mee veroorzaakt door steeds stijgende energiefacturen. Maar ook hier schort er heel wat, zegt Els Keytsman. ‘Met het geld van het sociale energiefonds moeten de OCMW’s mensen helpen die hun energiefacturen niet kunnen betalen. De OCMW’s moeten ook preventief te werk gaan, door budgetbegeleiding op poten te zetten. Maar dat blijkt vaak niet te gebeuren.’

Het Verbruikersateljee, een beweging voor de kleine consument, stelde zelfs vast dat de OCMW’s twee derde van de middelen uit het sociale energiefonds gebruikten voor personeelskosten. Het extra geld diende dus vaak niet om het nodige extra personeel aan te werven. Er werd integendeel een beroep gedaan op bestaand OCMW-personeel, om zo begrotingstekorten op te vullen. De kwestie kwam aan bod tijdens een hoorzitting in het Vlaams Parlement, op 23 januari 2006.

De CREG, die het sociale energiefonds beheert, wil geen inhoudelijk commentaar geven over de manier waarop het geld besteed wordt. ‘Dat is de verantwoordelijkheid van de OCMW’s’, zegt Guido Camps, CREG-directeur voor de Controle van de Prijzen van Gas en Elektriciteit. ‘Wij hebben daar niks mee te maken. De CREG int het geld, beheert het, en verdeelt het over de Belgische OCMW’s. Daarna is onze rol uitgespeeld. Wie dan verder bevoegd is voor de zaak? Binnenlandse Aangelegenheden misschien, bij de Gewesten? Ik zou het niet kunnen zeggen.’

Een studie uit 2006, uitgevoerd door het Hoger Instituut voor de Arbeid (K.U. Leuven) en het Centre d’Etudes Economiques et Sociales de l’Environnement (Université Libre de Bruxelles), kaart de zaak wél aan. Er is een gebrek aan visie omtrent de aanpak van het energieprobleem voor kansarme gezinnen, aldus het rapport, en ook bij de OCMW’s zélf is de vraag naar meer afstemming tussen de overheidsmaatregelen groot. De studie pleit voor de fusie van enkele sociale energiefondsen om de zaken te stroomlijnen.

Els Keytsman gaat nog verder. Zij pleit ervoor om van de zes federale energiefondsen één enkel Sociaal Klimaatfonds te maken, dat onder de bevoegdheid valt van slechts één persoon: een vicepremier van Leefmilieu, Klimaat en Energie. ‘Energie, milieu en wonen zijn drie thema’s waarbij de bevoegdheden geweldig door elkaar lopen, en bovendien opereren de verschillende overheden vaak naast elkaar. Er moet een veel betere coördinatie komen door iemand die prominent aanwezig is in de regering. Een vicepremier dus.’

Els Van Weert vindt dat het niet opgaat om alle energiefondsen op één hoop te gooien. ‘Het sociale energiefonds heeft hoegenaamd niks meer met klimaat te maken. Het gaat om een kruising tussen energie en kansarmoede, een totaal andere invalshoek dan bijvoorbeeld het Kyotofonds.’ Ook Bruno Tobback vindt dat Keytsman overdrijft. ‘Zo kan ik ook tien dingen opsommen die eventueel in haar verhaal zouden kunnen passen. Wat is de meerwaarde van zo’n lukrake optelsom? Volgens mij moet elke minister in zijn eigen departement zijn best trachten te doen. Of iedereen nú zijn best doet? (korte aarzeling) Ieder departement zou zijn best móéten doen.’

Els Keytsman betoogt dat de klimaatkwestie ook een sociaal verhaal is. ‘Als je zorgt voor energiezuinige woningen levert dat lagere energiefacturen op. Door aan het klimaat te denken, los je dus een stukje van de armoede op.’ Het is een goed denkspoor om het aantal energiefondsen te reduceren, vindt Els Van Weert. ‘Maar één fonds is onhaalbaar. Veel zaken zijn wettelijk vastgeklonken, en er zijn ook verschillende invalshoeken die moeilijk verenigbaar zijn.’

De weg die België nu bewandelt, is niet de goede, zegt Keytsman stellig. Vooral kansarmen wonen in huizen waar de energie letterlijk naar buiten vliegt, en zelfs wat nieuwbouw betreft loopt ons land achterop. ‘De energieprestatienormen die dit jaar werden opgelegd, bestaan al dertig jaar in landen als Denemarken. Het huidige beleid voldoet dus niet. Meer nog, zoals het er nu naar uitziet, zal België de Kyotonormen niet halen.’

Er is een overaanbod aan gezaghebbende rapporten die hongersnoden, overstromingen en ook economische rampspoed voorspellen als we niet gauw in actie schieten, beweert Keytsman. Bezondigt zij zich daarmee niet aan groen doemdenken? ‘Een beredeneerd klimaatbeleid creëert vooral pósitieve effecten’, werpt Els Keytsman tegen. ‘Zoals een lagere energiefactuur en dus een hogere koopkracht, maar ook extra jobs.’ Dat laatste wordt in elk geval bevestigd door de Vlaamse Confederatie Bouw, die in 2004 becijferde dat 10.000 woningen die beter geïsoleerd worden liefst 1200 arbeidsplaatsen zouden creëren. Duitsland bijvoorbeeld kan al pronken met 300.000 nieuwe jobs in de sector van de hernieuwbare energie. Nu België nog.

Dit artikel verscheen in Knack van 21 maart 2007, pp. 21-24.

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag